|
HET SPROOKJE VAN HET
ZAND
Een rivier, die vanuit zijn bron in de verre bergen door allerlei
landschappen stroomde, bereikte eindelijk het zand van de woestijn. Nu hij
iedere hindernis was gepasseerd probeerde de rivier ook deze woestijn te
doorkruisen, maar hij bemerkte dat het water verdween, hoe snel hij ook door
het zand stroomde. De rivier was er echter van overtuigd dat - hoewel er
geen weg was - het toch zijn bestemming was om deze woestijn te doorkruisen.
Toen fluisterde een verborgen stem, die van de woestijn zelf was: "de wind
kan de woestijn oversteken en dat kan de rivier ook."
De rivier bracht daar tegenin, dat hij met het zand vermengd en opgeslorpt
zou worden. De wind kon vliegen en daarom de woestijn oversteken.
"Door als vanouds te stromen kom je er niet doorheen, je zult óf verdwijnen,
óf een moeras worden, je moet willen dat de wind je eroverheen draagt naar
je bestemming toe," fluisterde de woestijn.
Maar hoe moest dat gebeuren?
"Door zelf te willen dat de wind je opneemt."
Dit idee kon de rivier niet bekoren. Goedbeschouwd was hij nog nooit eerder
opgenomen. Hij wilde zijn persoonlijkheid niet verliezen. En als je die
eenmaal verloren had, hoe kon je dan weten, dat je die ooit terug kon
krijgen.
"De wind," zo sprak het zand, "vervult deze taak. Hij neemt water op, draagt
het over de woestijn heen en laat het dan weer los. Door het als regen te
laten vallen wordt het dan weer een rivier."
Hoe weet ik dat dit waar is?
"Het is zo en als je het niet gelooft wordt je nooit méér dan een modderpoel
en zelfs dat kan vele vele jaren duren en dat is niet bepaald hetzelfde als
rivier zijn."
Maar kan ik niet dezelfde rivier blijven, die ik nu ben?
"In geen geval kun je zo blijven," fluisterde de stem. "Het wezenlijke deel
van je zal worden meegedragen en zal weer tot een rivier worden. En je zult
genoemd worden zoals je nu ook heet, omdat je niet weet wat je wezenlijke
deel is."
Toen de rivier dit hoorde kwamen bepaalde herinneringen in zijn geest naar
boven. Vaag herinnerde hij zich een staat waarin hij - of was het een deel
van hem? - in de armen van de wind werd gehouden. Ook herinnerde hij zich -
of toch niet? - dat dit het juiste was en niet noodzakelijk het meest voor
de hand liggende. Toen gaf de rivier zijn damp over aan de verwelkomende
armen van de wind, die hem teder en gemakkelijk omhoog droeg en hem
vervolgens, zo gauw ze de top van een berg bereikt hadden, vele mijlen
verder, zachtjes liet vallen. En omdat de rivier had getwijfeld kon hij
herinneringen bewaren en de details van de ervaring duidelijk in zijn geest
vastleggen. Hij overdacht: ja, nu heb ik mijn ware aard leren kennen. De
rivier leerde het.
Maar het zand fluisterde: "wij weten het , omdat we het dag in dag uit zien
gebeuren en omdat wij, het zand, ons helemaal uitstrekken van de oever van
de rivier tot aan de berg."
Daarom werd er gezegd, dat de manier waarop de levensstroom zijn reis moet
voortzetten, in het zand staat geschreven.
|