Het gouden fortuin
Er was eens een koopman die Abdul Malik heette.
Vanwege het grote fortuin dat hij aan liefdadigheid uitgaf en de feesten die hij
voor de armen hield, stond hij bekend als de Goede Man van Khorasan.
Maar op een dag kwam het bij hem op dat hij alleen maar iets weggaf van wat hij
had, wat eigenlijk maar een klein deel van zijn rijkdom was, en dat de vreugde
die hij door deze vrijgevigheid terugkreeg veel meer was dan wat dit offer hem
eigenlijk kostte.
Zo gauw deze gedachte bij hem opkwam, besloot hij iedere cent voor het welzijn
van de mensheid weg te geven. En dat deed hij ook.
Nauwelijks had Abdul Malik zich van al zijn bezittingen ontdaan en zag hij
geduldig uit naar wat het leven voor hem in petto had, of hij zag tijdens zijn
meditatie een vreemde verschijning van de vloer van zijn kamer oprijzen. Vlak
voor zijn ogen ontstond er een man die gekleed was in de lappenmantel van de
mysterieuze derwisj.
‘O Abdil Malik, edelmoedige man van Khorasan!’ hief de verschijning aan. ‘Ik ben
je ware zelf, dat nu bijna werkelijk voor je is geworden, omdat je iets
werkelijk liefdadigs hebt gedaan, waarbij je vorige staat van goedheid in het
niet valt. Daarom, en omdat je zonder persoonlijke bevrediging te voelen van je
rijkdom afstand kon doen, beloon ik je uit de ware bron der beloning. In de
toekomst zal ik iedere dag op deze manier voor je verschijnen. Je moet me slaan
en ik zal in goud veranderen. Je kunt net zoveel van dit gouden beeld nemen als
je wilt. Wees niet bang dat je me pijn zult doen, want wat je ook neemt zal uit
de bron van alle geschenken teruggegeven worden.’ Toen hij dit had gezegd
verdween hij.
De volgende dag zat juist een vriend, Bay-Akal, bij Abdul Malik toen de
derwisj-geest zich begon te manifesteren. Abdul Malik sloeg hem met een stok en
de gedaante viel, veranderd in goud, op de grond. Een deel van het goud nam hij
zelf en het andere deel gaf hij aan de gast.
Nu begon Bay-Akal, die niet wist wat er eerder was gebeurd, te denken dat hij
net zo’n wonder zou kunnen verrichten. Hij wist dat derwisjen vreemde krachten
bezaten en daaruit begreep hij dat hij ze alleen maar hoefde te slaan om goud te
krijgen.
Hij bereidde dus een feestmaal voor waar iedere derwisj die er over hoorde naar
toe kon komen en zich vol kon eten. Toen ze allemaal goed hadden gegeten, nam
Bay-Akal een ijzeren staaf en ranselde iedere derwisj die binnen zijn bereik was
af, tot ze gewond en gebroken op de vloer lagen.
De derwisjen die niet getroffen waren, grepen Bay-Akal en brachten hem voor de
rechter. Ze zetten uiteen wat hen was overkomen en toonden de gewonde derwisjen
als bewijs.
Bay-Akal vertelde wat er in het huis van Abdil Malik was gebeurd en verklaarde
waarom hij geprobeerd had de truc toe te passen.
Abdul Malik werd geroepen en onderweg naar het hof fluisterde zijn gouden zelf
hem in wat hij moest zeggen.
‘Moge het het hof behagen’, zei hij, ‘dan komt het me voor dat deze man gek is,
of een of andere neiging probeert te verbergen om mensen zonder reden aan te
vallen. Toch ken ik hem, maar zijn verhaal klopt niet met de ervaringen die ik
thuis had.’
Daarom werd Bay-Akal een tijdje in een krankzinnigengesticht geplaatst tot hij
wat kalmer was geworden. De derwisjen herstelden bijna meteen door een kennis
die zij alleen bezaten. En niemand wilde geloven dat zoiets verbazingwekkends
als een man die in een gouden beeld veranderde, en dan nog wel iedere dag, ooit
kon plaatsvinden.
Nog vele jaren, tot hij met zijn voorvaderen was verenigd, bleef Abdul Malik het
beeld breken dat hij zelf was en de schat, die hij zelf was, uitdelen aan hen
die hij op geen andere manier dan materieel kon helpen.