DE FABEL VAN DE LEEUW

Het gebeurde dat een leeuw aan de rand van de woestijn een leeuwenjong zag spelen met een paar schapen. De kudde had zich erover ontfermd, het leeuwtje wist niet wie hij werkelijk was. Tot zijn stomme verbazing zag de grote leeuw dat het welpje voor hem op de loop ging. Het was net zo bang voor hem als de schapen. De leeuw sprong midden tussen de schapen en zei: "Halt," maar ze sloegen dodelijk verschrikt op de vlucht mét het kleine leeuwtje. De leeuw rende achter het leeuwtje aan en toen hij het had ingehaald zei hij: "Ik wil met je praten." Het jong zei: "Ik sta over mijn hele lijf te trillen, ik ben bang, ik vind het vreselijk om zo vlak bij u te staan." De leeuw zei: "Waarom loop je hier rond met de schapen? Jij bent zelf een kleine leeuw." "Nee," zei het leeuwtje, "ik ben een schaap. Laat me met de schapen gaan."
"Kom mee," zei de leeuw. "Voor ik je laat gaan, zal ik je laten zien wie en wat je bent." Bevend liep de leeuwenwelp achter de grote leeuw aan naar een waterplas. Hij liet hem hun spiegelbeeld in het water zien en zei: "Kijk goed naar mij en kijk dan naar jezelf. Lijken we niet erg veel op elkaar? Jij bent geen schaap, je bent een leeuw!
Misleid als we worden door het leven, is het zelf niet voorbereid op de waarheid, en het verzet zich ertegen. Weerspiegelt het beeld zich echter in het meer van het hart, dan komt het inzicht vanzelf.